Afgelopen week namen we het op tegen Olympia, de nog altijd ongeslagen koploper. Zo’n wedstrijd waarbij je denkt: we gaan gewoon lekker spelen en zien wel waar het schip strandt.
De eerste set ging vlot naar Olympia (9-25). Ze serveerden strak, vielen hard aan en wij stonden soms nog even te kijken hoe dat ook alweer moest. In set twee (14-25) begonnen we beter mee te doen. De rally’s werden langer en we lieten steeds vaker zien dat we écht kunnen volleyballen.
Maar dan de derde set.
Daar zat alles in. Energie. Strijd. Duikballen. En hét moment van de avond:
Roxanne haalde uit. De bal kwam op de netrand terecht… en bleef daar liggen. Geen grap. Hij rolde héél langzaam over de bovenkant van het net. Vijf seconden lang keek iedereen ademloos toe. Zelfs bij Olympia durfde niemand al te juichen.
In slowmotion gleed de bal richting hun kant… en viel het veld in.
Wij ontploften van vreugde.
En toen… ging het feest niet door.
Wat bleek? Terwijl die bal zijn theatrale tocht maakte, raakte hij nét de antenne. Reglementair dus uit. Hoe oneerlijk het ook voelde na zo’n filmwaardige scène — de scheids had gelijk. Punt voor Olympia.
Zo wonnen ze nipt deze set, slechts met 21-25.

In de vierde set (15-25) bleven we knokken en de sfeer bleef goed.
Eindstand 0-4 tegen een ongeslagen koploper. Maar als een bal vijf seconden nodig heeft om te beslissen aan welke kant hij wil liggen, dan weet je dat je ze aan het twijfelen hebt gebracht 😉